2. Het nieuwe bewind in Holland en Zeeland


In 1572 onttrokken zich Holland en Zeeland, voor het grootste gedeelte, aan het bewind van de landvoogd, en erkenden alleen hun vorige stadhouder, Willem van Oranje, als wettige vertegenwoordiger van de landsheer. In het volgende jaar werd die nieuwe regering enigermate georganiseerd, een Raad nevens Zijne Excellentie ingericht, en bovendien een Raad van Finantie en een Raad van Admiraliteit opgericht.
Bij verdrag van 4 juni 1575 verenigde Zeeland zich met Holland onder het bewind van prins Willem als Hoofd en Hoogste Overheid. In de plaats van de drie raden, vroeger aan hem toegevoegd, werd toen een Landraad opgericht, die weldra weer, in oktober 1575, op verlangen van de prins, door Gecommitteerden uit de Staten vervangen werd. Eindelijk werd, bij het nader verdrag met Zeeland van 25 april 1576, de regering opnieuw gewijzigd, en kreeg de prins drie afzonderlijke colleges van Gecommitteerden, een voor Holland, een voor Zeeland, en een voor West-Friesland.
    De Staten, hoewel schijnbaar in dezelfde verhouding tot de stadhouder als voorheen, kregen uit de aard der zaak meer invloed en gezag. De samenstelling van hun college onderging enige verandering, en zij stelden zelf orde op het beleid van de vergadering. Aan de andere kant was de prins onttrokken aan het bewind van de algemene regering te Brussel, en dus [beschouwde hij zich als] bevoegd tot het uitoefenen van verschillende rechten van de landvoogd. Daarentegen verloor het Hof, dat in oktober 1572 opnieuw was opgericht, een gedeelte van zijn politieke macht.

Voor verdere toelichting zie: [Thorbecke]/Fruin/Colenbrander, 
Staatsinstellingen (ed. 1922), 161-164.