6. De Staten


De Staten vertegenwoordigden de verschillende standen van de maatschappij en tezamen het gehele volk tegenover de landsheer. Zij werden doorgaans geraadpleegd over zaken van groot en algemeen belang, die in overleg en met medewerking van het volk geleid moesten worden. Bij het overdragen van de regering, bij het regelen van de erfopvolging, bij het buitenlands beleid, bij het maken van belangrijke wetten, wilde het gebruik dat zij werden geraadpleegd. Hun kracht was gelegen in het recht, dat hun ontegenzeglijk toekwam, om de vrijwillige beden al of niet toe te staan. In het algemeen beschouwden zij zich als de voorstanders en beschermers van de vrijheid en de privileges van het volk tegen allen die ze zouden willen verkorten of schenden. 

Voor verdere toelichting zie: [Thorbecke]/Fruin/Colenbrander, 
Staatsinstellingen (ed. 1922), 44-55.