8. Bestuur van Holland en Zeeland


De stadhouder van Holland, Zeeland, West-Friesland, Utrecht, Den Briel en Voorne was, volgens zijn instructie van 8 augustus 1559, en zijn commissie van 9 augustus, belast met de zorg voor de conservatie van de rechten, hoogheid en heerlijkheid van de vorst, met de zorg voor de rechtsbedeling in samenwerking met het Hof, met het handhaven van rust en orde, ook ten opzichte van de Kerk, met de samenroeping van de Staten als de toestand van het land het eiste, met de vernieuwing van de stadsregeringen volgens het bestaand gebruik, en met de benoemingen tot posten. Verder was hij nog belast met het onderhoud der vestingen en van de weerbaarheid van het land, en had hij als kapitein-generaal het opperbevel over de regimenten, binnen zijn gebied gelegerd.
In het algemeen had hij meer toe te zien en misbruiken te weren, dan zelf rechtstreeks te handelen. In alle gewichtige zaken moest hij het goeddunken van de landvoogdes inwinnen en haar bevelen gehoorzamen, en steeds met de colleges van bestuur, niet met eigen gekozen raadslieden, overleggen. Hij was aangesteld voor onbepaalde tijd.

Toelichting

Er bestond tussen de verschillende provincies een te groot onderscheid in het bestuur, dan dat men - zoals Thorbecke deed - uit de gegevens betreffende de verschillende provincies één beeld ontwerpen kan. Daarvoor zijn er ook te weinig instructies van stadhouders bewaard gebleven en die weinige dan nog uit te verschillende tijden. Voor Friesland is er een van 1540, welke blijvend is geweest. Voor Gelderland een van 1486, voor de stadhouder Adolf van Nassau. Voor Holland zijn er drie: die van 1515 voor Hendrik van Nassau, van 1540 voor René van Chalons, en van 1559 voor Willem van Oranje. In de laatste instructie wordt verboden haar meer te vertonen dan nodig is, zodat zij ook lang onbekend is gebleven. Zij schijnt na 1578, toen de prins haar aan Amsterdam vertoonde, nadat de stad zich aan hem onderworpen had, in het archief van Amsterdam te hebben gelegen, waaruit aan het licht werd gebracht door Wagenaar. Een geheime instructie betreffende de religie kwam sindsdien uit het provincaal archief te voorschijn.
    Van de instructie moet worden onderscheiden de commissie. Dit is slechts een lastbrief in algemene termen; bij de instructie wordt alles artikelsgewijs opgesomd. 
    Dikwijls is er bij de regering sprake van geweest, de instructies van de stadhouders van de verschillende provincies meer met elkaar in overeenstemming te brengen. Zo adviseerde Granvelle de koning in een brief van 17 augustus 1567 uit Rome, ze te herzien en zoveel mogelijk terug te brengen tot de bepalingen die gegolden hadden onder de landvoogdes Maria van Hongarije; verder adviseerde hij de begeven van ambten aan de stadhouders te ontnemen en ze niet te benoemen voor langer dan drie jaren. 
    [...]
    In de titel van de stadhouder worden afzonderlijk genoemd Den Briel en Voorne. Deze werden als een afzonderlijk kwartier beschouwd en hadden oudtijds een eigen burggraaf gehad. Later waren zij een apanage geweest voor de oudste zoon van de graaf, bijvoorbeeld onder Albrecht van Beieren.

Voor verdere toelichting zie: [Thorbecke]/Fruin/Colenbrander, 
Staatsinstellingen (ed. 1922), 58-63.