9. Hof van Holland


De stadhouder werd in het vervullen van sommige van zijn ambtsplichten bijgestaan, en als hij afwezig was vervangen, door het Hof van Holland, dat wel meer en meer zijn oorspronkelijk karakter van regeringsraad verloor en een zuiver rechterlijk college werd, maar toch nog altijd iets van zijn oude politieke bevoegdheid had overgehouden.

Toelichting

In de instructie van het Hof van Holland van 20 augustus 1531, en eveneens in de instructie van de stadhouder, komt weinig of niets omtrent de politieke bevoegdheid van het Hof voor. Uit de praktijk blijkt echter, dat bij afwezigheid van de stadhouder, de Hof:

1. de Staten bijeenroept;
2. de wet vernieuwt in de steden. Nog in 1651, na de dood van Willem II, en later, toen Willem III in Engeland was, heeft het dit recht willen doen gelden, maar tevergeefs;
3. toezicht oefent op de baljuwen en verdere officieren;
4. ambtenaren voorlopig aanstelt en de eed afneemt;
5. toezicht houdt op dijken, sluizen, wateringen;
6. zorg draagt voor de vestingen en toezicht houdt op de muren van de steden.

Is de stadhouder aanwezig, dan neemt hij al deze plichten waar, doch in overleg met het Hof.

Voor verdere toelichting zie: [Thorbecke]/Fruin/Colenbrander, 
Staatsinstellingen (ed. 1922), 64-65.