11. Stadsregering


De regering der steden had oorspronkelijk evenals die van de plattelandsgemeenten bestaan uit een door de landsheer benoemde schout, en uit een college van schepenen.
    Voor het bestuur van de stedelijke aangelegenheden waren later daarbij gekomen twee of meer burgemeesters met een vroedschap, die de burgerij vertegenwoordigden. Deze vroedschap, sedert de Bourgondische vorsten een gesloten college van 24 à 40 voor hun leven aangesteld personen, benoemde thans de dubbeltallen, waaruit de landsheer of zijn stadhouder de jaarlijks aftredende burgemeesters en schepenen koos. Bij haar berustte de wezenlijke macht van de regering.
    De geest van de tijd, die tot centralisatie in alle opzichten leidde, bracht ook de steden meer en meer onder het toezicht en het bewind van de landsheer, vooral in zaken van financie en contributie. In het algemeen regelde thans de landsheer, in overleg met de Staten der provincie, verschillende aangelegenheden, die vroeger aan de vrije beschikking der stadsregering gestaan hadden.
    De voornaamste ambtenaar van de stad was de pensionaris, die de regering als raadsman en als redenaar diende. 

Voor verdere toelichting zie: [Thorbecke]/Fruin/Colenbrander, 
Staatsinstellingen (ed. 1922), 72-78.