12. Staten van Holland


De Staten van Holland bestonden uit de Ridderschap en de afgevaardigden der zes grote steden. De kleinere steden en het platteland werden geacht vertegenwoordigd te worden door de ridderschap.
    De Staten werden, namens de landsheer, beschreven (bijeengeroepen) door de stadhouder met het Hof, en bij afwezigheid van de stadhouder door het Hof alleen. In de vergadering had overstemming (beslissen bij meerderheid) plaats in de meeste gevallen; zelfs in zaken van contributie belette de tegenspraak van een enkel lid de conclusie niet. 
    De landsadvocaat, tevens pensionaris van de Ridderschap, was secretaris en spreker der Staten, en diende tevens als raadsman, vooral in zaken waarbij rechtsgeleerdheid te pas kwam.

Voor verdere toelichting zie: [Thorbecke]/Fruin/Colenbrander, 
Staatsinstellingen (ed. 1922), 79-82.