10. Wetgeving en rechtspraak in criminele zaken


Bij de ordonnanties van 5 en 9 juli 1570 werden de criminele wetgeving en procedure over alle Nederlanden geregeld, overeenkomstig de bestaande gebruiken en de leer van beroemde criminalisten. Volgens deze verordeningen mocht de misdadiger in gewone gevallen niet zonder bevel van de rechter in hechtenis worden gesteld, tenzij hij op heterdaad was betrapt. Binnen 24 uren, of uiterlijk binnen drie dagen, moest hij ondervraagd worden. In verreweg de meeste gevallen werd extra-ordinairlijk geprocedeerd. De rechtbank vonniste onmiddellijk op belijdenis (schulderkenning) of op een volledig bewijs. Indien dit ontbrak, maar de schuld genoegzaam gebleken was, mocht de schuldige door pijniging tot belijdenis worden genoopt. Appèl werd niet toegelaten. - Het recht van gratie behoorde, volgens de theorie, uitsluitend aan de landsheer; bij verkregen rechts evenwel ook aan ondergeschikte overheden.

Voor verdere toelichting zie: [Thorbecke]/Fruin/Colenbrander, 
Staatsinstellingen (ed. 1922), 143-148.