11. Burgerlijke wetgeving


Het lag in de bedoeling van Karel V en van Filips II, ook ten opzichte van de civiele zaken een eenvormige procedure en een algemene wetgeving in te voeren. Maar zij brachten het in dezen niet verder dan tot de voorbereidende maatregelen.
In de meeste provincies golden landrechten, gesproten uit het oud-Germaanse recht, maar overal op eigen wijze ontwikkeld. De steden waren daarvan meestal vrijgesteld en bezaten eigen keuren of handvesten. Keuren en landrechten waren echter onvolledig en veronderstelden een gemeen(schappelijk) recht. De juristen van de tijd van Karel V erkenden als zodanig het Romeins recht, waarnaar zij de Germaanse rechtsbegrippen meer en meer vervormden.

Voor verdere toelichting zie: [Thorbecke]/Fruin/Colenbrander, 
Staatsinstellingen (ed. 1922), 148-153.