5. Verhouding van de prinsen van Oranje tot de Generaliteit


De algemene regering werd zwakker naarmate de Staten-Generaal inbreuk maakten op de bevoegdheid van de Raad van State. Het provinciaal belang kreeg meer en meer de overhand op het belang van de Unie. De behoefte aan een eminent hoofd met soortgelijke machten als de landvoogden vroeger bezeten hadden, deed zich gedurig voelen. Meermalen traden de prinsen van Oranje op als handhavers van de eenheid van de staat, maar zij waren daartoe niet bepaaldelijk gemachtigd. Alleen als lid van de Raad van State en als kapitein- en admiraal-generaal stonden zij in dienst van de Generaliteit. Het ambt van stadhouder was zuiver provinciaal.

Voor verdere toelichting zie: [Thorbecke]/Fruin/Colenbrander, Staatsinstellingen (ed. 1922), 210-213.