6. Bevoegdheid van de provinciale Staten


De bevoegdheid van de Staten van de afzonderlijke provincies was ten gevolge van de afzwering van de vorst verdubbeld. Bij de rechten van volksvertegenwoordiging, vanouds door de Staten bezeten, waren nog de rechten van landsheer gekomen, die zich, naar de geest van de Kerkhervorming, ook over zaken van godsdienst en over de kerkgenootschappen uitstrekte.     
    De soevereiniteit van de provinciale regering werd veel minder beperkt door de verhouding tot de Staten-Generaal, dan voorheen door de ondergeschiktheid aan de algemene regering van Brussel. Daarentegen wonnen de bijzondere leden van de provinciale staten in zelfstandigheid en nam hun invloed op het bestuur aanzienlijk toe.

Voor verdere toelichting zie: [Thorbecke]/Fruin/Colenbrander, Staatsinstellingen (ed. 1922), 214-218.