Kampen

 

Reformatie en Opstand in Kampen

Net als enkele andere Hanzesteden aan de IJssel verwierf Kampen stadsrechten tussen 1230 en 1248. Het stadsbestuur werd in de middeleeuwen gevormd door rijke kooplieden. In de zestiende eeuw was het belang van de stad als haven en handelsplaats echter al sterk verminderd. Op 7 januari 1528 kwam Overijssel onder het gezag van de landsheer Karel V. Doordat de stad in deze periode voortdurend dreiging ondervond vanuit het Hertogdom Gelre dat zich bleef verzetten tegen een Habsburgse hegemonie, bleef Kampen ook heel lang loyaal aan het koninklijk gezag. Toch leidden de kettervervolgingen onder Karel V ook tot onrust in Kampen. Al in 1525 verbood het stadsbestuur het drukken, kopen, verkopen, lezen of bezitten van Lutherse boeken. Op 6 december 1526 werden geheime vergaderingen en preken verboden. Geestelijken die deze keur overtraden moesten binnen 3 dagen de stad verlaten. Het jaar daarna viel het eerste slachtoffer van kettervervolging.  In 1535 werd in Kampen een aantal wederdopers schuldig verklaard en ter dood gebracht. 

In de zomer van 1566, het jaar van de Beeldenstorm, bleef het in Kampen en de rest van Overijssel relatief rustig. Toch sympathiseerde een deel van de Kampense bevolking wel met de nieuwe leer. Er werden heimelijke vergaderingen en hagenpreken gehouden en er circuleerden verboden boeken en pamfletten. Vooral de calvinistische hagenpreken van de rector van de Latijnse school, Caspar Holstech, trokken grote aantallen toehoorders. Op 3 september 1566 belegerden protestanten de kerk van het Heilige Geest Gasthuis  en eisten ze de kerk op bij het stadsbestuur. Om geweld en onrust te voorkomen wilde de Raad deze eis inwilligen, maar de stadhouder van Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel, de Graaf van Aremberg, Jean de Ligne, hield dit tegen.

De inning van de tiende penning van Alva leidde eveneens tot onrust en Overijssel stuurde  afgevaardigden naar Brussel om bezwaar te maken. Toch koos Kampen niet onmiddellijk de kant van Oranje. Op 9 augustus 1572 werd de stad door Willem van den Bergh, zwager van Willem van Oranje, belegerd. De stedelijke bevolking was uiterst verdeeld. Het stadsbestuur dat nog steeds overwegend Rooms was, koos ervoor de stad te verdedigen onder leiding van Raad Arent toe Boecop. Toe Boecop was net als veel andere raadsleden tegen de centralisatiepolitiek van het regime  en voor een godsdienstvrede. Maar men vreesde de Geuzen en er waren ook bezwaren van economische aard: men vreesde een economische isolement van de stad. Gedurende het beleg neigden steeds meer burgers tot overgave. Met name leden van het schippersgilde en de schutters speelden een actieve rol in de onderhandelingen die leidde tot de overgave en  uiteindelijk werd het stadsbestuur na drie dagen hiertoe gedwongen. In de onderhandelingen beloofde Van den Berg dat de stadsrechten gerespecteerd zouden worden, er geen extra belasting zouden worden opgelegd en de katholieke kerk en zijn aanhangers met rust zouden worden gelaten. Geen van deze beloften werden nagekomen. In oktober moesten nagenoeg alle katholieke geestelijken vertrekken uit de stad en werd de oude stadsregering vervangen door nieuwe leden.

De nieuwe situatie werd al na drie maanden weer bedreigd toen Don Frederik, zoon van Alva, vanuit het zuiden naar de noordelijke gewesten optrok.  Van den Bergh verliet Kampen en Don Frederik richtte de stad in als een Spaanse garnizoen. Don Frederik bleef tot en met juli 1578. Het oude stadsbestuur kwam terug, de katholieke kerk werd in ere hersteld en alle protestanten werden verbannen uit de stad of gingen weer ondergronds.

De Pacificatie van Gent, op 8 november 1576, sloot alle gewesten van de Nederlanden aaneen. Echter in Overijssel kozen Kampen en Deventer de Spaanse zijde. In het voorjaar van 1578 besloot de staatsgezinde stadhouder Rennenberg om Kampen in te nemen.  Tijdens het beleg dat ongeveer een maand duurde werd er zwaar gevochten. Een aantal Hollandse steden had galeien gestuurd die de stad vanaf het water bestookten.  De verdeeldheid in de stad was ditmaal nog groter dan in 1572. Niet alleen de gereformeerde maar ook de katholieke bevolking had genoeg van de Spaanse bezetting. Na langdurig overleg besloot het katholieke stadsbestuur  toch de stad te overhandigen aan de prins op 17 juli. Vooral de terugkerende ballingen verwelkomden Rennenberg met groot enthousiasme. Hun verzoeken om vrije geloofsuitoefening en een kerk werden echter niet meteen ingewilligd. Pas een  jaar daarna werd de religievrede afgekondigd door de stadsregering. Katholieken en gereformeerden zouden gelijke rechten krijgen. 

De overstap van de katholieke stadhouder Rennenberg naar koningszijde in 1580 leidde in Kampen tot grote onrust. Katholieken werden nu als onbetrouwbaar beschouwd. De nog steeds overwegend katholieke raad weigerde ook in te gaan op verzoeken om een tweede kerkgebouw voor de gereformeerden. De  spanning tussen de twee religies nam snel toe en escaleerde op 27 maart 1580. Woedende beeldenstormers vernielden de beelden en kunstwerken in de Bovenkerk en de Buitenkerk en gooiden ze in de IJssel. De omvang van de gereformeerde gemeente was nog altijd niet groot, maar zij deden een succesvolle greep naar de macht en vanaf 15 mei was de katholieke kerkdienst in Kampen verboden.

In de volgende jaren werden Steenwijk en Deventer ingenomen door de Spanjaarden en kwam Kampen in een isolement terecht totdat Maurits de Spanjaarden uit het Noorden verdreef vanaf 1592.

Senna Yoo

 

Literatuurlijst

Berigten omtrent de gewenschte vestiging der Engelsche Avonturiers te Kampen in 1597 en 1598. - [S.l.], [na 1850].

Doornik, J. van, ‘Arend toe Boecop op het blokhuis te Genemuiden in den jare 1572’, Overijsselse Almanak 3 (1837) 228-242.

Elte, S., ‘De Rechtszaak tegen Peter Warners, boekdrukker te Kampen (1566-1567)’, Kamper Almanak (1951-1952) 148-173.

Elte, S., ‘Kampen van Rooms-Katholiek tot Calvinistisch. Van ongeveer 1530 tot ongeveer 1580’, Verslagen en Mededeelingen der  vereeniging tot Uitgaaf der Bronnen van het Oud-Vaderlandsch Recht 67 (1952) 61-139.

Fasel, W.A., ‘De bestuurlijke verhouding tussen stadsbestuur en de geestelijke insstellinen te Kampen’, Kamper Almanak (1967-1968) 266-312.

Fehrmann, C.N., ‘De geschiedenis van de St. Nicolaes- of Bovenkerk te Kampen’, Kamper Almanak (1976-1977) 171- 245. 

Fehrmann, C.N., ‘ De Kamper Burgemeester Arent toe Boecop en zijn Tijd’, Kamper Almanak (1971-1972) 145- 173.

Fehrmann, C.N., Kampen vroeger en nu (Bussum 1972).

Harmanny, G.D. en Pol, F. van der,  Van Klooster tot Theologisch Instituut : De geschiedenis van een voormalig Kamper kloostercomplex (Kampen 2005).

Kolman, R.J., ‘Traditie, trouw en tolerantie: de Kamper magistraat tussen bevrijding en religievrede (1578-1579)’, Kamper almanak (1994) pag. 143-220; (1995) pag. 139-229.

Krans, G.H.A., ‘De eerste boekdrukkers van Kampen in hun dagelijksche omgeving en het Kamper Liedboek’, Verslagen en Mededeelingen der vereeniging tot Uitgaaf der Bronnen van het Oud- Vaderlandsch Recht 59 (1943) 85-103.

Nanninga Uitterdijk, J., ‘Aanteekeningen uit getuigenissen omtrent de belegering en inname van Kampen door den graaf van den berg. 1572’, Bijdragen tot de Geschiedenis van Overijssel 14 (1907) 11-21. 

Nanninga Uitterdijk, J., ‘Vervolging van boekdrukkers te Kampen wegens het drukken van fameuse libellen en geuzenliederen, 1566-1567’, Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde 8.2 (1875) 192-203.

Pol, F. van der,  De reformatie te Kampen in de zestiende eeuw (Kampen 1990).

Reitsma, R., Centrifugal and centripetal forces in the early Dutch Republich. The States of Overijssel 1566-1600 (Amsterdam 1982). 

Rijpma, E., De ontwikkelingsgang van Kampen tot omstreeks 1600, vooral in de laatste jaren der zestiende eeuw (Groningen 1924).

Schilder, K., Uitgaande brieven van de stad Kampen: minuten 1541-1552 (Kampen 1997). 

Scholtens, H.J.J., ‘ De Beeldenstorm in Kampen en omgeving’, Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht 53 (1927) 88-101.

Velthuysen, B.P., ‘De invoering der Hervorming en de Wederopluiking van het Katholicisme’, Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht 25 (1898) 134- 206; 26 (1900) 161- 221.